Duinengordel

Duinen zonder strand

27 december 2017

Zee, strand en duinen: voor velen zijn het vaste waarden voor een geslaagde vakantie. Om door duinen te struinen, moet je echter niet altijd naar zee. Ook ver weg van de zee komen duinen voor. In Limburg bijvoorbeeld. Hier zijn het rivierduinen – zoals in het Nationaal Park De Maasduinen – of landduinen zoals in de Duinengordel in Belgisch Limburg.

Het stuift hier geregeld

Deze Duinengordel ligt bovenop het Kempens Plateau en heeft een lengte van zeven à acht kilometer en is zo’n kilometer breed. Een eerste aanzet tot deze landduinen werd heel lang geleden gegeven: tijdens de laatste ijstijd die zo’n 10.000 tot 12.000 jaar geleden eindigde. Het was een periode met enkele op elkaar volgende ijzig koude en minder koude periodes. Tijdens de koudste periode – deze duurde van zo’n 75.000 tot 14.000 jaar geleden – was de lucht bijzonder droog en waren vorstvrije periodes zeer kort of zelfs afwezig.

Hierdoor kwamen in onze streken weinig planten en dieren voor. De aaneengesloten bossen uit vroegere periodes waren verdwenen en steppe, toendra en zelfs poolwoestijn beheersten het beeld. De weinige plantengroei die mogelijk was, bestond uit schaarse vegetatie-eilandjes van enkele soorten gras, mos en korstmos.

Hierdoor kreeg de wind vrij spel op het blootliggende zand. Bovendien daalde de zeespiegel en het waterpeil in rivieren omdat het water werd ‘vastgelegd’ in gletsjers, ijsmassa’s en sneeuw. Krachtige winden voerden fijne leemdeeltjes en zandkorreltjes mee van de droog liggende Noordzeestranden en rivierbeddingen.

Deze zand- en leemdeeltjes werden door de overwegende noordwestenwinden naar het zuiden en zuidoosten geblazen. Het zwaardere zand werd het eerst afgezet in wat we nu de Kempen noemen. Hier ontstond een golvend dekzandlandschap. De lichtere leem- en lössdeeltjes werden nog verder naar het zuiden van de beide provincies Limburg geblazen.

Op het einde van deze laatste ijstijd werd het voor een korte tijd warmer, waardoor vegetatie weer voet aan wal kreeg. Deze vegetatie speelde vervolgens een belangrijke rol in de vorming van het landschap. Ze hield het stuivend zand tegen waardoor langgerekte dekzandruggen of paraboolduinen ontstonden.

Op plaatsen waar het zand werd weggeblazen, ontstonden komvormige laagten. In deze laagten kwamen ondoordringbare leemlagen in de dieper liggende zandlagen bloot te liggen. Deze laagten vulden zich met water en er ontstonden vennen zoals het Turfven, het Zwartven, de Ruiterskuilen en het Broeksven in het westelijke deel van de Duinengordel.

Het Turfven in Opglabbeek.

In de loop van duizenden jaren raakten deze dekzandruggen en duinen opnieuw begroeid met bossen. Deze bestonden in de Kempen voor een groot deel uit zomereik en ruwe berk. Deze bossen zouden door toedoen van de mens in de volgende duizenden jaren grotendeels verdwijnen en in de Kempen plaats maken voor heide. Vanaf de Bronstijd – toen de groeiende bevolking steeds meer bos kapte om akkers aan te leggen -, maar vooral vanaf de Middeleeuwen, kwamen de zandgronden door ontbossing en overexploitatie van de heide terug bloot te liggen. De wind kreeg opnieuw vrij spel en het zand begon opnieuw te verstuiven. Tot wanhoop van de mensen die aan de windafwaartse zijde woonden en die hun akkers en zelfs hun woningen onder het zand zagen verdwijnen.

Desondanks speelden de heidegebieden en zelfs de landduinen eeuwenlang een onmisbare rol in het leven van de mensen die er woonden. De heide en de weinige bossen die overbleven, zorgden voor strooisel, (gerief)hout en plaggen. Vooral het (heide)strooisel en in een latere fase de heideplaggen waren belangrijk omdat zij in een potstal werden gemengd met de uitwerpselen van de dieren. Hierdoor ontstond mest dat op de arme, zandige akkers werd gebruikt. De boeren lieten hun vee op de heide grazen en maakten bezems van de heidestruiken. Het zand van de duinen werd onder andere gebruikt als bouwmateriaal en om in de woning over de vloer te strooien.

De heide gonsde ooit van de bijen. Honing was immers lange tijd, voor het bestaan van riet- en bietensuiker, het enige zoetmiddel en de honingraten leverden was voor de kaarsen.

Een gevarieerd landschap met een snuifje geschiedenis

Het landschap dat je tegenwoordig op en rond de Duinengordel kunt ontdekken, is een resultaat van het eeuwenlange samenspel tussen natuur en mens. Aan de voet van de duinen, op de flanken van de beekvalleien, ontstonden akkers, vaak omzoomd met houtkanten. Deze houtkanten dienden om het stuivende zand tegen te houden, maar ook als veekering en als bron van geriefhout.

Het domein Donderslag in het westelijke deel van de Duinengordel werd vanaf de twaalfde eeuw grootschalig en planmatig ontgonnen door kloosters. Enkele statige eiken- en beukenlanen herinneren nog aan deze periode. In de beekvalleien – zoals die van de nabijgelegen Bosbeek – lagen de beemden: natte graslanden waarvan het hooi werd gebruikt om het vee te voeren. Veel van deze beemden groeiden – nadat ze waren verlaten omdat ze ongeschikt waren voor de moderne landbouw – terug dicht tot elzenbroekbos.

De mens is overigens al lang aanwezig in deze streek. De grafheuvels in het archeologisch park De Rieten ten noorden van de Duinengordel zijn hiervan tastbare getuigen.

Door de Duinengordel loopt de Geuzenbaan. Deze baan dankt haar naam aan de passage van Willem van Oranje en zijn geuzen. Zij namen deze route in 1568 na de Slag bij Geldenaken tegen de hertog van Alva aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Op deze manier konden zij de Commanderij van Gruitrode – waar de Duitse Ridderorde gevestigd was – mijden.

Krakende dennen voor de mijnen

Na de uitvinding van kunstmest nam het belang van de heide af. Vanaf het einde van de negentiende eeuw werden grote delen van de voormalige heide en stuifzanden bebost.

De steenkoolmijnen – die slechts op enkele kilometers van de Duinengordel lagen – waren gretige afnemers van het hout. Het diende om de mijngangen te stutten. Vooral het hout van grove den was erg gegeerd, omdat dit een krakend geluid maakte voordat het door een te grote druk dreigde te breken. Voor de mijnwerkers was dit krakend geluid een waarschuwingssignaal dat ze zich uit de voeten moesten maken.

De grove dennen in deze plantages zien er helemaal anders uit dan hun soortgenoten die op hun eentje in de zandvlaktes staan. Deze noemt men ook vliegdennen omdat hun zaad – dat licht is en een vleugeltje heeft – met de wind kwam aanvliegen en het geluk had op een geschikt plekje terecht te komen.

Zo’n vliegden kan op de open heide of het stuifzand uitgroeien tot een mooi gevormde, alleenstaande boom. De vorm lijkt helemaal niet op de grove dennen die in een aangeplant bos groeien. Door het planten van veel bomen dicht op elkaar, ontstaat in een bos onderlinge concurrentie tussen de dennen om zoveel mogelijk zonlicht op te vangen. Door deze race naar het licht, ontwikkelen de ‘bosdennen’ lange, dunne, min of meer rechte stammen en hoge kruinen.

Een landschap van uitersten

Enkele duinen zoals de Oudsberg ontsnapten aan deze bebossingsgolf en bleven open landduinen. Hier en daar ontwikkelde zich op de open zandvlaktes spontaan plantengroei. Op andere plekken zorgden met name motorcrossers, maar ook spelende kinderen er voor dat ontluikende vegetatie geen lang leven beschoren was. In de omgeving liggen immers meerdere kampeerplaatsen waar veel jeugdverenigingen gebruik van maken.

En zeg nu eerlijk, het zou toch zonde zijn om zo’n gigantische zandbak bij je kampeerplaats dicht te laten groeien. Het gevolg was wel dat de Oudsberg tijdens de vorige eeuw enkele meters lager werd.

Stuifzand kent een microklimaat met uitersten, dat erg hoge eisen stelt aan zijn bewoners. In de zomer kan de temperatuur aan het oppervlak van zandhellingen, die door de zon worden beschenen, oplopen tot 50° C.

Tijdens de daarop volgende nacht kan de temperatuur wel 40 graden of meer zakken. De vochtigheid is op zulke hete dagen uiterst laag, omdat het humusarme stuifzand regenwater zeer slecht kan vasthouden. Na een regenbui of ‘s nachts kan de vochtigheid echter zeer hoog oplopen.
 
Op het eerste zicht een erg ongastvrije omgeving zou je denken. Niets is minder waar. Korstmossen en planten als zandzegge en buntgras kunnen goed overweg met deze omstandigheden. Zij kunnen min of meer kale stukken zand koloniseren en door geleidelijke uitbreiding levend stuifzand vastleggen. Deze eerste plantengroei verzacht bovendien het extreme microklimaat waardoor weer andere plantensoorten zoals struikhei de gelegenheid krijgen om zich te vestigen. Op termijn maken deze begroeiingen plaats voor heide, dat op zijn beurt een kiemplaats kan zijn voor de eerste bomen en struiken.

Een landschap met een hoge biodiversiteit

Door de variatie in oppervlakte, (micro)reliëf, successiefase en microklimaat hebben stuifzanden een hoge natuurwaarde met een aantal zeldzame soorten.

Wilde, solitair levende bijen zijn er enkele van. Zij worden vergezeld door collega’s met stoer klinkende namen als de rupsendoder of bijenwolf.

Maar ook sprinkhanen als blauwvleugelsprinkhaan en wekkertje voelen zich hier thuis. Als je wat geritsel in de droge bladeren of in de struikhei hoort, heb je zeer waarschijnlijk een levendbarende hagedis gemist die op zoek was naar een prooi.

Een ander jager die je hier kan aantreffen, is de groene zandloopkever. Het is een opvallende kever met een prachtige groene kleur die extra schittert dankzij een parelmoerachtige glans. Het zijn snelle en geduchte jagers die zich snel lopend of vliegend voortbewegen tijdens de jacht op levende prooien.

Bijen, vlinders en zweefvliegen komen dan weer af op de bloeiende struikhei en vogels als boomleeuwerik, boompieper en nachtzwaluw gebruiken alleenstaande bomen in de heide als uitkijkpost.

In de omringende bossen leven heel wat vogels zoals goudhaan, wespendief, havik en zwarte specht, maar ook insecten als de rode bosmier en boskrekel. Op enkele plaatsen kan je de gladde slang tegenkomen.

Blauwvleugelsprinkhaan
EC_20060809_0017
Gladde slang

Samen de schouders eronder

Binnenkort wordt de Duinengordel toegevoegd aan het Nationaal Park Hoge Kempen dat slechts op een steenworp verwijderd ligt van de Duinengordel.

De gemeentebesturen en het Agentschap voor Natuur en Bos (de grootste eigenaren/beheerders van het gebied) hebben samen met het Regionaal Landschap Kempen en Maasland de schouders gezet onder een integrale ontwikkeling van dit bijzondere landschap.

Samen willen ze met tal van partijen een toegankelijk en beleefbaar bos- en natuurgebied ontwikkelen dat wordt omgeven door een divers en aantrekkelijk landbouwgebied.

 

Binnen deze samenwerking staat het uitbreiden en verbinden van stuifzandgebieden hoog op de agenda. Deze open, ruige landschappen vormen een mooie afwisseling met de uitgestrekte bossen en de gecultiveerde landbouwgebieden in de omgeving.

Waar vroeger het stuivend zand met man en macht werd bestreden, wordt het tegenwoordig gezien als een bijzonder landschap met zeldzame planten en dieren. “Het kan verkeren” liet Bredero zich ooit ontvallen.

Zelf op ontdekking?

De 2.000 hectare grote Duinengordel ligt op het grondgebied van de Belgische gemeenten Meeuwen-Gruitrode, Opglabbeek, Maaseik en Bree.

We kozen de rode route uit die je langs de Oudsberg voert. Deze route is 14 km lang en laat je kennismaken met alle facetten van die boeiende gebied.

Parkeren:
Parking 2 Oudsberg
Camping Zavelbos, Kruising Weg naar Opoeteren & Bergeindestraat, B – 3660 Opglabbeek

Parking 3 Oudsberg
Royerplein 1, B – 3670 Gruitrode, Meeuwen-Gruitrode

Omwille van het mulle zand is de route niet geschikt voor rolstoelgebruikers

In totaal bestaat de Duinengordel uit 3 wandelgebieden: Oudsberg, Donderslag en Solterheide. Praktische informatie over de wandelkaarten, startplekken, horecazaken etc. vind je op www.rlkm.be/nl/hoge-kempen/recreatie/bijzonder-nabij/duinengordel/

Meer informatie vind je ook op www.duinengordel.be

Dit verhaal verscheen oorspronkelijk in Limburg in Beeld, een gratis digitaal magazine over Limburg.