Mijn foto

Mijn foto

Digitale camera’s democratiseerden fotografie op een ongeziene wijze en er werden nog nooit zoveel foto’s gemaakt als tegenwoordig. Bovendien heeft bijna iedereen met de smartphone voortdurend een fototoestel op zak. De wereld wordt tot in de laatste uithoek in beeld gebracht en we plaatsen met z’n allen massaal foto’s op onze – al dan niet sociale – mediakanalen. 

Door dit ‘overaanbod’ krijg je in het ‘fotografenwereldje’ soms het idee ‘aangepraat’ dat je heel wat iconische plekken die tot vervelens toe zijn gefotografeerd niet meer fotografeert als je jezelf als creatief fotograaf respecteert. Dat je op zoek moet gaan naar nieuwe iconen, naar nieuwe locaties, naar onontdekte horizonten en verder.

Neem nu foto’s van de Schotse berg Buachaille Etive Mòr of van de melkweg. Daar kijkt niemand meer van op, plat geslagen als we zijn door de dagelijkse stortvloed aan beelden die ons via sociale media of andere kanalen overspoelt en die we hooguit enkele seconden onze aandacht gunnen voordat we naar de volgende foto ‘swipen’. 

Sommigen beschouwen het fotograferen van de Buachaille of de melkweg – al dan niet voorzien van een dubbele belichting met een perfect belichte voorgrond – zelfs niet meer als creatieve fotografie, maar als het fotokopiëren van een foto die de fotografen die je voorgingen al hebben gemaakt.

Et alors … Fotografie is voor mij veel meer dan louter het resultaat: de foto. Het gaat naast de handeling van het fotograferen – voor mij een vorm van meditatie – ook, en misschien zelfs vooral, over de belevenis, het creëren van herinneringen en het genieten van het moment dat je belicht.

Mijn foto van de melkweg bijvoorbeeld – in de verste verte geen hoogvlieger – zal voor mij voor altijd verbonden zijn met de herinnering aan de avond dat ik voor de eerste keer met mijn dochter en zoon naar de melkweg heb gekeken. Samen lekker ingeduffeld op onze rug op een ligstoel. Een herinnering die veel langer zal bestaan dan de 20 seconden die nodig waren om deze opname te belichten. En Mars kregen we er gratis bij.

Melkweg en Mars

Of de foto van de Buachaille Etive Mòr – de berg met z’n archetypische vorm – aan de oostelijke ingang van Glen Coe in Schotland. Ieder zichzelf respecterend fotograaf mijdt deze ‘overbelichte’ locatie, deze bijna toeristische trekpleister… Toch? Fotografisch kan je niets meer toevoegen aan de honderdduizenden foto’s die al van deze berg en de waterval op de rivier de Coupall zijn gemaakt.

Opnieuw…. et alors. Onlangs was ik in Schotland en na verschillende mislukte pogingen door de mist en de regen die met bakken uit de lucht viel, lukte het dan toch een keer. En dan maakt het niet uit dat de grond is lek geprikt door de miljoenen statiefpoten die je voor gingen. Dan sta je daar, moederziel alleen (een zeldzaamheid naar het schijnt) in een zwerm Schotse midges te genieten van dit indrukwekkende beeld. Dan maak je gewoon die foto van dit iconische zicht. Geen iconische foto, maar wel mijn foto, met mijn herinneringen aan het moment en de dagen die er aan vooraf gingen. Je wint er geen wedstrijd mee – alsof dat al een maatstaf is – maar ik wordt er wel gelukkig van, telkens ik er naar kijkt. En wat de anderen denken … tja…

© Erwin Christis – Alle rechten voorbehouden   –   All rights reserved.

CONTACT :   info@erwinchristis.be    +32 (0)474 20 25 09

Bloeiende herinneringen aan de heide

Bloeiende herinneringen aan de heide

Grote delen van het Kempen~Broek bestonden ooit uit moerassen en heide. Het merendeel van de natte heidegebieden is ontwaterd en ontgonnen tot landbouwgebied. Zo ook de Weerterheide ten noorden van het Nederlandse Weert. 

De Weerterheide is nu een open landbouwgebied

Een smalle berm langs de spoorlijn Eindhoven-Weert vormt een zuinige floristische herinnering aan dit voormalige heidegebied. Halverwege juni bloeien hier dankzij jarenlang beheer door vrijwilligers van IVN-Weert onder andere gewone dopheide en gevlekte orchis, typische planten van natte heide.

Ik had dit beeld al enkele jaren in mijn hoofd en op een avond kwamen alle elementen samen: het laatste avondlicht viel juist op een groepje bloeiende orchideeën en zelfs de Nederlandse Spoorwegen werkten mee door op het juiste moment een trein voorbij te laten rijden.

Een andere plek in het Kempen~Broek waar je deze orchidee kan vinden is het Maarhezerveld in het iets noordelijker gelegen Weerterbos. Enkele jaren geleden herstelde Stichting Het Limburgs Landschap hier het voormalige natte heidegebied met enkele vennen. Het heidegebied was drooggelegd en beplant met naaldhout. Samen met het herstel van andere vennen en de vernatting van verschillende bossen maakt het Maarhezerveld nu deel uit van de klimaatbuffer Weerterbos.

EC_20090804_0004.dng

Door maaisel van de berm langs de spoorlijn uit te strooien, versnelde Stichting Het Limburgs Landschap de kolonisatie van dit herstelde gebied met gevlekte orchis, maar ook met de mooie klokjesgentiaan.

EC_20090804_0024.dng
Klokjesgentiaan met jonge sprinkhaan
Gewone dophei met naderende zweefvlieg

© Erwin Christis – Alle rechten voorbehouden   –   All rights reserved.

CONTACT :   info@erwinchristis.be    +32 (0)474 20 25 09

Duinengordel

Duinengordel

Duinen zonder strand

Zee, strand en duinen: voor velen zijn het vaste waarden voor een geslaagde vakantie. Om door duinen te struinen, moet je echter niet altijd naar zee. Ook ver weg van de zee komen duinen voor. In Limburg bijvoorbeeld. Hier zijn het rivierduinen – zoals in het Nationaal Park De Maasduinen – of landduinen zoals in de Duinengordel in Belgisch Limburg.

Het stuift hier geregeld

Deze Duinengordel ligt bovenop het Kempens Plateau en heeft een lengte van zeven à acht kilometer en is zo’n kilometer breed. Een eerste aanzet tot deze landduinen werd heel lang geleden gegeven: tijdens de laatste ijstijd die zo’n 10.000 tot 12.000 jaar geleden eindigde. Het was een periode met enkele op elkaar volgende ijzig koude en minder koude periodes. Tijdens de koudste periode – deze duurde van zo’n 75.000 tot 14.000 jaar geleden – was de lucht bijzonder droog en waren vorstvrije periodes zeer kort of zelfs afwezig.

Hierdoor kwamen in onze streken weinig planten en dieren voor. De aaneengesloten bossen uit vroegere periodes waren verdwenen en steppe, toendra en zelfs poolwoestijn beheersten het beeld. De weinige plantengroei die mogelijk was, bestond uit schaarse vegetatie-eilandjes van enkele soorten gras, mos en korstmos.

Hierdoor kreeg de wind vrij spel op het blootliggende zand. Bovendien daalde de zeespiegel en het waterpeil in rivieren omdat het water werd ‘vastgelegd’ in gletsjers, ijsmassa’s en sneeuw. Krachtige winden voerden fijne leemdeeltjes en zandkorreltjes mee van de droog liggende Noordzeestranden en rivierbeddingen.

Deze zand- en leemdeeltjes werden door de overwegende noordwestenwinden naar het zuiden en zuidoosten geblazen. Het zwaardere zand werd het eerst afgezet in wat we nu de Kempen noemen. Hier ontstond een golvend dekzandlandschap. De lichtere leem- en lössdeeltjes werden nog verder naar het zuiden van de beide provincies Limburg geblazen.

Op het einde van deze laatste ijstijd werd het voor een korte tijd warmer, waardoor vegetatie weer voet aan wal kreeg. Deze vegetatie speelde vervolgens een belangrijke rol in de vorming van het landschap. Ze hield het stuivend zand tegen waardoor langgerekte dekzandruggen of paraboolduinen ontstonden.

Op plaatsen waar het zand werd weggeblazen, ontstonden komvormige laagten. In deze laagten kwamen ondoordringbare leemlagen in de dieper liggende zandlagen bloot te liggen. Deze laagten vulden zich met water en er ontstonden vennen zoals het Turfven, het Zwartven, de Ruiterskuilen en het Broeksven in het westelijke deel van de Duinengordel.

Het Turfven in Opglabbeek.

In de loop van duizenden jaren raakten deze dekzandruggen en duinen opnieuw begroeid met bossen. Deze bestonden in de Kempen voor een groot deel uit zomereik en ruwe berk. Deze bossen zouden door toedoen van de mens in de volgende duizenden jaren grotendeels verdwijnen en in de Kempen plaats maken voor heide. Vanaf de Bronstijd – toen de groeiende bevolking steeds meer bos kapte om akkers aan te leggen -, maar vooral vanaf de Middeleeuwen, kwamen de zandgronden door ontbossing en overexploitatie van de heide terug bloot te liggen. De wind kreeg opnieuw vrij spel en het zand begon opnieuw te verstuiven. Tot wanhoop van de mensen die aan de windafwaartse zijde woonden en die hun akkers en zelfs hun woningen onder het zand zagen verdwijnen.

Desondanks speelden de heidegebieden en zelfs de landduinen eeuwenlang een onmisbare rol in het leven van de mensen die er woonden. De heide en de weinige bossen die overbleven, zorgden voor strooisel, (gerief)hout en plaggen. Vooral het (heide)strooisel en in een latere fase de heideplaggen waren belangrijk omdat zij in een potstal werden gemengd met de uitwerpselen van de dieren. Hierdoor ontstond mest dat op de arme, zandige akkers werd gebruikt. De boeren lieten hun vee op de heide grazen en maakten bezems van de heidestruiken. Het zand van de duinen werd onder andere gebruikt als bouwmateriaal en om in de woning over de vloer te strooien.

De heide gonsde ooit van de bijen. Honing was immers lange tijd, voor het bestaan van riet- en bietensuiker, het enige zoetmiddel en de honingraten leverden was voor de kaarsen.

Een gevarieerd landschap met een snuifje geschiedenis

Het landschap dat je tegenwoordig op en rond de Duinengordel kunt ontdekken, is een resultaat van het eeuwenlange samenspel tussen natuur en mens. Aan de voet van de duinen, op de flanken van de beekvalleien, ontstonden akkers, vaak omzoomd met houtkanten. Deze houtkanten dienden om het stuivende zand tegen te houden, maar ook als veekering en als bron van geriefhout.

Het domein Donderslag in het westelijke deel van de Duinengordel werd vanaf de twaalfde eeuw grootschalig en planmatig ontgonnen door kloosters. Enkele statige eiken- en beukenlanen herinneren nog aan deze periode. In de beekvalleien – zoals die van de nabijgelegen Bosbeek – lagen de beemden: natte graslanden waarvan het hooi werd gebruikt om het vee te voeren. Veel van deze beemden groeiden – nadat ze waren verlaten omdat ze ongeschikt waren voor de moderne landbouw – terug dicht tot elzenbroekbos.

De mens is overigens al lang aanwezig in deze streek. De grafheuvels in het archeologisch park De Rieten ten noorden van de Duinengordel zijn hiervan tastbare getuigen.

Door de Duinengordel loopt de Geuzenbaan. Deze baan dankt haar naam aan de passage van Willem van Oranje en zijn geuzen. Zij namen deze route in 1568 na de Slag bij Geldenaken tegen de hertog van Alva aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Op deze manier konden zij de Commanderij van Gruitrode – waar de Duitse Ridderorde gevestigd was – mijden.

Krakende dennen voor de mijnen

Na de uitvinding van kunstmest nam het belang van de heide af. Vanaf het einde van de negentiende eeuw werden grote delen van de voormalige heide en stuifzanden bebost.

De steenkoolmijnen – die slechts op enkele kilometers van de Duinengordel lagen – waren gretige afnemers van het hout. Het diende om de mijngangen te stutten. Vooral het hout van grove den was erg gegeerd, omdat dit een krakend geluid maakte voordat het door een te grote druk dreigde te breken. Voor de mijnwerkers was dit krakend geluid een waarschuwingssignaal dat ze zich uit de voeten moesten maken.

De grove dennen in deze plantages zien er helemaal anders uit dan hun soortgenoten die op hun eentje in de zandvlaktes staan. Deze noemt men ook vliegdennen omdat hun zaad – dat licht is en een vleugeltje heeft – met de wind kwam aanvliegen en het geluk had op een geschikt plekje terecht te komen.

Zo’n vliegden kan op de open heide of het stuifzand uitgroeien tot een mooi gevormde, alleenstaande boom. De vorm lijkt helemaal niet op de grove dennen die in een aangeplant bos groeien. Door het planten van veel bomen dicht op elkaar, ontstaat in een bos onderlinge concurrentie tussen de dennen om zoveel mogelijk zonlicht op te vangen. Door deze race naar het licht, ontwikkelen de ‘bosdennen’ lange, dunne, min of meer rechte stammen en hoge kruinen.

Een landschap van uitersten

Enkele duinen zoals de Oudsberg ontsnapten aan deze bebossingsgolf en bleven open landduinen. Hier en daar ontwikkelde zich op de open zandvlaktes spontaan plantengroei. Op andere plekken zorgden met name motorcrossers, maar ook spelende kinderen er voor dat ontluikende vegetatie geen lang leven beschoren was. In de omgeving liggen immers meerdere kampeerplaatsen waar veel jeugdverenigingen gebruik van maken.

En zeg nu eerlijk, het zou toch zonde zijn om zo’n gigantische zandbak bij je kampeerplaats dicht te laten groeien. Het gevolg was wel dat de Oudsberg tijdens de vorige eeuw enkele meters lager werd.

Stuifzand kent een microklimaat met uitersten, dat erg hoge eisen stelt aan zijn bewoners. In de zomer kan de temperatuur aan het oppervlak van zandhellingen, die door de zon worden beschenen, oplopen tot 50° C.

Tijdens de daarop volgende nacht kan de temperatuur wel 40 graden of meer zakken. De vochtigheid is op zulke hete dagen uiterst laag, omdat het humusarme stuifzand regenwater zeer slecht kan vasthouden. Na een regenbui of ‘s nachts kan de vochtigheid echter zeer hoog oplopen.
 
Op het eerste zicht een erg ongastvrije omgeving zou je denken. Niets is minder waar. Korstmossen en planten als zandzegge en buntgras kunnen goed overweg met deze omstandigheden. Zij kunnen min of meer kale stukken zand koloniseren en door geleidelijke uitbreiding levend stuifzand vastleggen. Deze eerste plantengroei verzacht bovendien het extreme microklimaat waardoor weer andere plantensoorten zoals struikhei de gelegenheid krijgen om zich te vestigen. Op termijn maken deze begroeiingen plaats voor heide, dat op zijn beurt een kiemplaats kan zijn voor de eerste bomen en struiken.

Een landschap met een hoge biodiversiteit

Door de variatie in oppervlakte, (micro)reliëf, successiefase en microklimaat hebben stuifzanden een hoge natuurwaarde met een aantal zeldzame soorten.

Wilde, solitair levende bijen zijn er enkele van. Zij worden vergezeld door collega’s met stoer klinkende namen als de rupsendoder of bijenwolf.

Maar ook sprinkhanen als blauwvleugelsprinkhaan en wekkertje voelen zich hier thuis. Als je wat geritsel in de droge bladeren of in de struikhei hoort, heb je zeer waarschijnlijk een levendbarende hagedis gemist die op zoek was naar een prooi.

Een ander jager die je hier kan aantreffen, is de groene zandloopkever. Het is een opvallende kever met een prachtige groene kleur die extra schittert dankzij een parelmoerachtige glans. Het zijn snelle en geduchte jagers die zich snel lopend of vliegend voortbewegen tijdens de jacht op levende prooien.

Bijen, vlinders en zweefvliegen komen dan weer af op de bloeiende struikhei en vogels als boomleeuwerik, boompieper en nachtzwaluw gebruiken alleenstaande bomen in de heide als uitkijkpost.

In de omringende bossen leven heel wat vogels zoals goudhaan, wespendief, havik en zwarte specht, maar ook insecten als de rode bosmier en boskrekel. Op enkele plaatsen kan je de gladde slang tegenkomen.

Blauwvleugelsprinkhaan
EC_20060809_0017
Gladde slang

Samen de schouders eronder

Binnenkort wordt de Duinengordel toegevoegd aan het Nationaal Park Hoge Kempen dat slechts op een steenworp verwijderd ligt van de Duinengordel.

De gemeentebesturen en het Agentschap voor Natuur en Bos (de grootste eigenaren/beheerders van het gebied) hebben samen met het Regionaal Landschap Kempen en Maasland de schouders gezet onder een integrale ontwikkeling van dit bijzondere landschap.

Samen willen ze met tal van partijen een toegankelijk en beleefbaar bos- en natuurgebied ontwikkelen dat wordt omgeven door een divers en aantrekkelijk landbouwgebied.

 

Binnen deze samenwerking staat het uitbreiden en verbinden van stuifzandgebieden hoog op de agenda. Deze open, ruige landschappen vormen een mooie afwisseling met de uitgestrekte bossen en de gecultiveerde landbouwgebieden in de omgeving.

Waar vroeger het stuivend zand met man en macht werd bestreden, wordt het tegenwoordig gezien als een bijzonder landschap met zeldzame planten en dieren. “Het kan verkeren” liet Bredero zich ooit ontvallen.

Zelf op ontdekking?

De 2.000 hectare grote Duinengordel ligt op het grondgebied van de Belgische gemeenten Meeuwen-Gruitrode, Opglabbeek, Maaseik en Bree.

We kozen de rode route uit die je langs de Oudsberg voert. Deze route is 14 km lang en laat je kennismaken met alle facetten van die boeiende gebied.

Parkeren:
Parking 2 Oudsberg
Camping Zavelbos, Kruising Weg naar Opoeteren & Bergeindestraat, B – 3660 Opglabbeek

Parking 3 Oudsberg
Royerplein 1, B – 3670 Gruitrode, Meeuwen-Gruitrode

Omwille van het mulle zand is de route niet geschikt voor rolstoelgebruikers

In totaal bestaat de Duinengordel uit 3 wandelgebieden: Oudsberg, Donderslag en Solterheide. Praktische informatie over de wandelkaarten, startplekken, horecazaken etc. vind je op www.rlkm.be/nl/hoge-kempen/recreatie/bijzonder-nabij/duinengordel/

Meer informatie vind je ook op www.duinengordel.be

Dit verhaal verscheen oorspronkelijk in Limburg in Beeld, een gratis digitaal magazine over Limburg.

© Erwin Christis – Alle rechten voorbehouden   –   All rights reserved.

CONTACT :   info@erwinchristis.be    +32 (0)474 20 25 09

Het verhaal achter de edelherten in het Weerterbos

Het verhaal achter de edelherten
in het Weerterbos

Volgens de kalender begint de herfst op 21 september. Voor mij begint de herfst als de edelherten met hun burlend oergeluid de overgang tussen de steeds kouder wordende nachten en korter wordende dagen inzetten. Het Weerterbos in Nederweert (NL) is inmiddels een gekende plek voor natuurliefhebbers en fotografen die deze doordringende ervaring willen meemaken. Minder gekend is het verhaal dat er aan vooraf ging.

In 2005 bouwt Stichting Het Limburgs Landschap een 150 ha groot uitwengebied in het Weerterbos.
Voor een medische controle, het plaatsen van een onderhuidse chip en het transport van België naar Nederland worden de herten verdoofd.
Een halsband met GPS moet het wetenschappers mogelijk maken om de edelherten tijdens het proefproject nauwgezet te kunnen volgen.
Een laatste controle van de chip bevestigt dat de edelherten legaal van België naar Nederland werden getransporteerd.

In 2002 keurde de Europese Unie een project goed om de natuur en het landschap in het GrensPark Kempen-Broek te verbeteren. Eén van de onderdelen was het voorstel van de Nederlandse provincie Limburg om het edelhert te herintroduceren. Het GrensPark Kempen~Broek bleek na een onderzoek dat 2 jaar eerder plaatsvond immers één van de plekken in Nederland te zijn waar een herintroductie van deze koning van het woud kon worden overwogen.

Een deel van de eerste groep edelherten die in het Weerterbos leven. Bij enkele herten werd een stukje van het oor verwijderd voor genetisch onderzoek. De hinde op de achtergrond draagt één van de GPS zenders.

Na de nodige bijkomende studies en talloze besprekingen besloten de initiatiefnemers om de theorie aan de praktijk te testen. Ze startten een proefproject dat een antwoord moest bieden op vragen zoals het verspreidingsgedrag van de edelherten in het Kempen~Broek, of de dieren schade zouden veroorzaken aan landbouwgewassen, wat de mogelijke risico’s waren voor het verkeer, hoe de inwoners en toeristen zouden reageren op deze nieuwe bewoners, wat de reactie was van de edelherten op mensen en wat de geschikte populatiedichtheid kon zijn na een positieve evaluatie van het proefproject.  Om dit mogelijk te maken kreeg het merendeel van de dieren een halsband met een zender die het mogelijk maakte om ze via een satellietverbinding te volgen of om ze met een ontvanger op het terrein op te sporen.

Zelfs in het relatief kleine uitwengebied van 150 ha blijft het soms moeilijk om de herten te vinden.

Om de edelherten de kans te geven om te ‘acclimatiseren’ na het transport en hun vrijlating zouden ze worden losgelaten in twee gebieden die voldoende groot en volledig uitgerasterd waren. Eén gebied lag in het Stramprooierbroek in Kinrooi (B), het andere in het Weerterbos in Nederweert. Na deze acclimatisatieperiode zouden de hekken worden opengezet en kon het eigenlijke proefproject beginnen. In extremis gaf toenmalig Vlaams minister voor Leefmilieu Kris Peeters geen toestemming voor het proefproject in het Belgische deel van het Kempen~Broek.

In Nederland ging het proefproject wel door. Op een kletsnatte dag in november 2005 werden 15 herten na een medisch onderzoek overgebracht van een hertenkweker in België naar het Weerterbos. Na het loslaten van de herten in het 150 hectare grote, uitgerasterde gebied werden enkele bijkomende studies uitgevoerd naar de verkeersveiligheid en kansen op schade aan landbouwgewassen. In 2008 werd aan de rand van het gebied een hoge uitkijktoren gebouwd die een mooi overzicht verschaft over het deelgebied de ‘Grashut’ waar de herten graag vertoeven.

Sinds 2013 verbindt een ecoduct over de autosnelweg A2 en de spoorlijn Maastricht-Eindhoven het Weerterbos met de Weerter- en Budelerbergen. Reeën, edelherten, maar ook kleinere dieren kunnen zo veilig oversteken om door te trekken naar de zuidelijker gelegen gebieden in het Kempen~Broek. Enkele deelgebieden van het Weerterbos werden bovendien omgevormd van een weidelandschap naar een gebied met waterplassen en kruidenrijke vlaktes. Zo werken ze in één adem mee aan de rol van klimaatbuffer die het Weerterbos toebedeeld kreeg.

Het ecoduct over de spoorweg en de A2 verbindt het Weerterbos (links op de foto) met de Weerter- en Budelerbergen (rechts op de foto).
Door de hormonen en de drang om zich van hun sterkste kant te laten zien aan de concurrenten is zelfs het gras niet veilig voor het zogenaamde plaatshert, het hert dat de hindes om zich heeft weten te verzamelen.

Door het wisselen van de coalitie in het provinciehuis in Maastricht wisselde ook de drang om de herten los te laten in de vrije wildbaan. Het opduiken van een onstuitbare golf everzwijnen in en rond het projectgebied met bijhorende schade aan landbouwgewassen en enkele verkeersongevallen, droeg niet bij aan de welwillendheid van het beleid om de poorten van het tijdelijk uitgerasterde gebied in het Weerterbos open te zetten.

Het is momenteel koffiedik kijken of en wanneer de herten hun vrijheid krijgen. Opvallend is alvast dat ook de provincie Noord-Brabant in 2013 besliste om het edelhert terug te brengen naar haar grondgebied. Wie weet kunnen beide roedels ooit samensmelten en gezamenlijk door de grensregio van Noord-Brabant, Nederlands en Belgisch Limburg en Antwerpen struinen.

Hoe dan ook lopen de edelherten in het Weerterbos 12 jaar later nog steeds in het uitgerasterde gebied en bezorgen ze eind september, begin oktober aan honderden natuurliefhebbers een bijzondere natuurbeleving tijdens de bronst.

© Erwin Christis – Alle rechten voorbehouden   –   All rights reserved.

CONTACT :   info@erwinchristis.be    +32 (0)474 20 25 09

In een pad ligt

“In een pad ligt het begin van een verhaal,
dat onmisbare en uitnodigende teken
van menselijke aanwezigheid.”

Michael Pollan

© Erwin Christis – Alle rechten voorbehouden   –   All rights reserved.

CONTACT :   info@erwinchristis.be    +32 (0)474 20 25 09

Bokrijk

Bokrijk

Het verleden in het klein

De naam Bokrijk doet bij veel mensen wellicht een belletje rinkelen. De meesten zullen spontaan aan het openluchtmuseum of de speeltuin denken. Deze twee ‘attracties’ zijn inderdaad het meest bekend en voor velen was het de bestemming van één of meerdere schoolreizen.

Het 550 ha grote domein heeft echter veel meer te bieden dan deze twee onderdelen. Het is een uitgestrekt domein met bossen, een arboretum, een Engels landschapspark, een geuren- en kleurentuin en een aanzienlijk aantal vijvers. Bokrijk maakt net zoals het aangrenzende Hengelhoef deel uit van de Wijers, een uitgestrekt vijvergebied in het hart van Belgisch Limburg.

Net zoals Hengelhoef heeft ook dit domein een rijke geschiedenis. In 1252 kochten de cisterciënzerzusters van de abdij van Herkenrode een lap grond tussen Genk, Hasselt en Zonhoven. Het gebied droeg de naam Buksenrake. ‘Buk’ betekende beuk en met ‘rake’ werd een strook grond bedoeld. In de loop der jaren evolueerde dit toponiem over ‘Bouchreyck’ tot Bokrijk.

De zusters ontgonnen het gebied en lieten er onder andere een abdijhoeve bouwen, bos aanplanten, heide ontginnen tot landbouwgrond en vijvers voor de viskweek graven. De grens van het kloosterdomein werd aangeduid met aarden wallen. De omwonenden – met name uit Hasselt – die de omliggende gemeenschappelijke woeste gronden mochten gebruiken, respecteerden deze afbakening niet altijd. Dit leidde meermaals tot conflicten. Deze aarden wallen – die later de grens zouden vormen tussen Hasselt en Genk – zijn nu nog deels in het domein herkenbaar.

Via de Fransen naar de provincie Limburg

Bokrijk overleefde net zoals Hengelhoef de privatiseringsdrang van de Fransen in de nasleep van de Franse revolutie niet. Het domein wisselde meermaals van eigenaar en de kloostergebouwen werden in de loop der jaren verwaarloosd. Rond 1890 begon de toenmalige eigenaar met de bouw van een neoclassicistisch kasteel dat werd afgewerkt door een volgende eigenaar. Dit kasteel staat er nog steeds.

In 1919 legde de Belgische staat beslag op het domein en verkocht het in 1928 aan de Belgische Boerenbond. Zij richtten het domein in als modellandbouwuitbating. Door de crisis mislukte deze uitbating wat tot het faillissement van de Boerenbond leidde.

Onder impuls van toenmalig gouverneur Verwilghen kocht de provincie Belgisch Limburg het domein in 1938. In 1953 besloot de provincie om Bokrijk in te richten als openluchtmuseum. Door in heel Vlaanderen gebouwen met culturele of historische waarde af te breken en in Bokrijk in oorspronkelijke staat weer op te bouwen, wilde de provincie vermijden dat deze gebouwen zouden verdwijnen. Na de Tweede Wereldoorlog – in een periode die werd gekenmerkt door een sterke industriële vooruitgang en een toenemende welvaart – dreigden immers heel wat van deze gebouwen uit het Vlaamse landschap te verdwijnen. Het openluchtmuseum opende de deuren in 1958, niet toevallig in hetzelfde jaar als Expo ’58: de wereldtentoonstelling in Brussel.

Het domein telt inmiddels 140 authentieke gebouwen, een ruime collectie oude gereedschappen en alledaagse gebruiksvoorwerpen. Het oudste gebouw dateert uit 1507, maar het grootste deel van de collectie bestaat uit bouwwerken van de late 17e tot einde 19e eeuw. Het gaat vooral om boerderijen en andere gebouwen die belangrijk waren voor het dorpsleven (smidse, school, bakkerij, kerk, herberg,…). De gebouwen werden gegroepeerd in drie regio’s: de Kempen, Haspengouw en Oost- en West-Vlaanderen.

Door deze werkwijze ging echter een belangrijk aspect van erfgoedbescherming verloren, namelijk de context waarin de gebouwen zich oorspronkelijk bevonden. Tegenwoordig mogen gebouwen van historische waarde in Vlaanderen enkel nog ‘in situ’ worden geconserveerd. Hierdoor zal de gebouwencollectie van het Openluchtmuseum van Bokrijk niet meer aangroeien.

Living history en koeien met een wit laken

Naast de gebouwen- en gereedschapcollectie dragen ‘historische’ figuren bij aan je reis door de tijd. Acteurs kruipen in de huid van een personage dat soms gebaseerd is op één historische figuur of een samenvoeging is van verschillende figuren Deze acteurs spelen het leven na zoals hun personage dat gedaan zou hebben in die tijd, op die plaats en in die context. Deze werkwijze wordt internationaal Living History (letterlijk: levende geschiedenis) genoemd: het uitbeelden van historische situaties door middel van rollenspel of demonstraties, al dan niet in interactie met een publiek.

Let tijdens je bezoek ook eens op de oude dierenrassen in het domein en met name op de bruine of zwarte koeien met een witte band tussen de voor- en achterpoten om de borst en de rug, het zogenaamde laken. Dit zijn Lakenvelders, een zeer oud Nederlands runderras dat reeds in de Middeleeuwen op schilderijen werd afgebeeld. Oorspronkelijk was het vooral de adel die dit ras bezat waardoor het ook wel kasteel- of parkrund wordt genoemd. De Lakenvelder wordt zowel voor de melk- als vleesproductie gekweekt.

Een rijk arboretum

Het domein Bokrijk herbergt één van de omvangrijkste plantencollecties in België. In 1965 startte men met de aanleg van het 18 ha grote arboretum dat uit verschillende tuinen bestaat: een Mediterrane tuin, een varentuin, een bostuin en een moerastuin. In het arboretum staat de nationale bamboecollectie, het bezit de grootste referentiecollectie voor hulst in Europa en is bekend voor zijn rhododendron- en azaleacollectie.

Enkele onderdelen van het arboretum zoals de kruidentuin, de moestuin met oude variëteiten en de historische hoogstamboomgaard liggen in het openluchtmuseum. Bij het kasteel en de speeltuin ligt een geuren- en kleurentuin.

Het Provinciaal Natuurcentrum

Tot voor kort was het Provinciaal Natuurcentrum gevestigd in het domein Bokrijk. Tegenwoordig kun je dit centrum bezoeken in een nieuw gebouw, net buiten het domein. In het Provinciaal Natuurcentrum kun je terecht voor het volgen van cursussen, educatieve projecten, natuureducatief advies, maar ook voor meer info over natuur en landschappen in Limburg. Het Provinciaal Natuurcentrum heeft een uitgebreide bibliotheek en is bovendien het knooppunt voor alles wat met natuurstudie in Limburg te maken heeft.

Uitgestrekte bossen en vijvers

Naast het openluchtmuseum, het arboretum en de speeltuin bestaat het grootste deel van het domein uit bossen en een twintigtal vijvers. De vijvers in het oosten van het domein – het Wik genoemd – zijn niet toegankelijk zonder gids. De vijvers in het westelijk deel van het domein worden uitgebaat als viskweekcentrum van de provincie Limburg en kunnen via een aantal bewegwijzerde wandelroutes wel worden bezocht. Op één vijver mag je – mits je een vergunning hebt – vissen. Beide vijvergebieden zijn rijk aan planten en dieren, met soorten als watergentiaan, blaasjeskruid, moerasvaren, roerdomp en ijsvogel.

De bossen in het domein zijn grotendeels aangeplant en hierdoor bijzonder gevarieerd. Naaldbossen, loofbossen en gemengde bossen wisselen elkaar af. Wat opvallend is, is het grote aantal oude en grote bomen. Velen zijn meer dan 100 jaar oud. Deze gevarieerde bossen met zijn oude bomen vormen eveneens het leefgebied voor vele planten en dieren. Spechten, boomklevers en eekhoorns zijn er slechts enkele van. In de herfst kun je in deze bossen je hart ophalen aan de vele paddenstoelen die hun kopjes hier boven de grond of uit het hout steken.

Zelf op ontdekking?

Met de 4 km lange gele route maak je kennis met het domein en de verschillende biotopen/onderdelen. Deze route leidt je wel om het openluchtmuseum heen. Wil je ook hieraan een bezoekje brengen, kun je vanaf parking 1 en 2 via de kassa het openluchtmuseum bezoeken.

De speeltuin, het arboretum en de rest van het domein (vijvers, bossen) zijn het hele jaar van 9.00 u tot 19.00 u gratis toegankelijk. Voor de actuele openingstijden van het openluchtmuseum en geplande evenementen raadpleeg je best de website.

De bijhorende wandelkaart ‘Bokrijk-Kiewit: natuur in het hart van Limurg’ kun je kopen op de website van het Regionaal Landschap Lage Kempen: www.rllk.be

Honden zijn welkom in het gebied op de wandelpaden en steeds kort aan de leiband.

Parkeren:
Parking 1 (‘parking kasteel’), Craenevenne zonder nummer, Genk(B)
Parking 2, Bokrijklaan 1, Genk (B)

Bereikbaarheid:
Met de auto: autosnelweg E 314, afrit 30 ‘Park Midden Limburg’ (Bokrijk) en volg vervolgens de signalisatie
Vanuit Hasselt/Genk: volg op de Genkersteenweg/Hasseltweg ter hoogte van Bokrijk de signalisatie naar het domein
Met de bus: vanuit Genk, de lijn G4. Vanuit station Hasselt lijn 1 en lijn 46
Met de trein: spoorlijn Hasselt-Genk, halte Bokrijk. Vanaf de halte is het 10 minuten wandelen tot de ingang bij parking 2

Meer info vind je op:
www.bokrijk.be

www.rllk.be
www.dewijers.be

Dit verhaal verscheen oorspronkelijk in Limburg in Beeld, een gratis digitaal magazine over Limburg.

© Erwin Christis – Alle rechten voorbehouden   –   All rights reserved.

CONTACT :   info@erwinchristis.be    +32 (0)474 20 25 09